Nee, het is niet bewezen dat links achter de Franse scholierenrellen zit
Wie de afgelopen dagen berichten over de scholierenprotesten in Frankrijk heeft gevolgd, kan gemakkelijk de indruk hebben gekregen dat inmiddels vaststaat wie er achter het geweld zit. La France insoumise (LFI), de radicaal-linkse partij van Jean-Luc Mélenchon, zou samen met organisaties uit de zogenoemde ultragauche de protesten hebben georganiseerd of zelfs de rellen hebben aangestuurd. Die beschuldiging komt niet zomaar uit de lucht vallen. De Franse regering heeft haar zelf geuit en zegt zich daarbij te baseren op informatie van de inlichtingendiensten.
Maar inmiddels is er meer bekend over de informatie waarop die beschuldiging is gebaseerd. En daardoor wordt het beeld een stuk minder eenvoudig. Er is overtuigend bewijs dat linkse en radicaal-linkse politici, activisten en organisaties zich bij de protesten hebben aangesloten en hebben geprobeerd er invloed op uit te oefenen. Maar dat is iets anders dan bewijs dat zij de protesten hebben veroorzaakt, laat staan dat zij verantwoordelijk zijn voor brandstichting, vernielingen en aanvallen op politie en onderwijspersoneel.
Eerst: het geweld is echt
Om daar geen misverstand over te laten bestaan: bij de Franse scholierenprotesten heeft ernstig geweld plaatsgevonden. De protesten begonnen in september in de regio rond Parijs en verspreidden zich vervolgens over Frankrijk. Wat begon met blokkades van scholen vanwege onder meer lerarentekorten, slechte schoolgebouwen en andere problemen in het onderwijs, ging op verschillende plaatsen gepaard met vernielingen, brandstichting en confrontaties met de politie.
Reuters berichtte bijvoorbeeld over branden bij scholen, een uitgebrande auto en leraren die bij een incident met benzine werden bespat. De Franse minister van Onderwijs sprak op 1 oktober over 170 gewonde leerlingen en 65 gewonde personeelsleden. Het zou dus onjuist zijn het geweld af te doen als een verzinsel van de Franse regering of rechtse media. Er is daadwerkelijk ernstig geweld gepleegd. De vraag is alleen: wie zit daarachter?
De Franse regering wijst naar LFI
Op 1 oktober kwam de Franse regering na een interministerieel crisisoverleg met een opvallend stellige verklaring. Volgens de regering was er bij de inlichtingendiensten sprake van een gedeelde analyse over de oorsprong van de protestbeweging: het zou gaan om een georganiseerde operatie van LFI en organisaties uit de ultragauche. Dat werd vervolgens breed overgenomen door internationale media. Reuters meldde bijvoorbeeld dat de inlichtingendiensten tijdens het crisisoverleg zouden hebben geconcludeerd dat radicaal-linkse politici aan de basis van de protesten stonden.
Dat klinkt behoorlijk overtuigend. Alleen blijkt het verhaal ingewikkelder zodra we kijken naar de informatie waarop deze conclusie mede was gebaseerd.
Wat staat er werkelijk in de inlichtingennota?
De Franse krant Le Monde kreeg inzage in een inlichtingennota van de Direction du renseignement de la préfecture de police de Paris (DRPP) van 28 september. Daarin wordt inderdaad gesproken over invloed van extreemlinks. De onderzoekers schrijven dat de oorsprong van de beweging volgens hen mede gezocht moet worden in de instrumentalisering door studentenorganisaties en politieke bewegingen die dicht bij extreemlinks staan. Dat is bepaald geen onbelangrijke constatering.
Maar er is een belangrijke beperking: de nota gaat niet over heel Frankrijk. Hij behandelt de scholierenacties in Seine-Saint-Denis, een departement ten noordoosten van Parijs. De landelijke conclusie van de regering is dus veel breder dan het geografische gebied waarop deze specifieke nota betrekking heeft. Bovendien concludeert Le Monde na bestudering van de nota dat de beschreven feiten eerder laten zien dat politieke en syndicale organisaties probeerden mee te liften op een zeer versnipperde en spontane scholierenbeweging dan dat uit de nota overtuigend blijkt dat zij die beweging bestuurden. Dat is een behoorlijk belangrijk verschil.
LFI was er wel degelijk bij
Het zou tegelijkertijd onjuist zijn om te beweren dat LFI helemaal niets met de protesten te maken heeft. Politici van de partij verschenen bij blokkades en betuigden openlijk hun steun. Ook andere radicaal-linkse organisaties probeerden scholieren en studenten te mobiliseren. Le Monde beschrijft bijvoorbeeld hoe LFI-politici zich vanaf eind september nadrukkelijker bij blokkades vertoonden. Sommige politici probeerden leerlingen verder te mobiliseren, terwijl anderen juist probeerden de situatie rustig te houden.
LFI heeft dus geprobeerd politieke invloed uit te oefenen op een protestbeweging die uitstekend aansluit bij een aantal thema’s van de partij. Daar is op zichzelf weinig geheimzinnigs aan. Politieke partijen en vakbonden proberen vaker aansluiting te vinden bij maatschappelijke protestbewegingen die passen bij hun politieke agenda. Maar een protest ondersteunen is niet hetzelfde als een protest organiseren, en een protest organiseren is nog steeds niet hetzelfde als geweld organiseren. Juist die drie zaken worden in veel berichten op sociale media op één hoop gegooid.
Niet alle inlichtingendiensten blijken dezelfde conclusie te trekken
Misschien wel het interessantste detail kwam enkele dagen later naar buiten. De suggestie van de regering dat er onder de Franse inlichtingendiensten één gezamenlijke analyse bestaat, blijkt namelijk te sterk. Le Monde sprak voor een reportage van 5 oktober met een andere goed geïnformeerde inlichtingenbron. Die beschreef de ontwikkeling van de protesten in drie fasen.
In de eerste fase was er volgens deze bron sprake van een onrustige maar spontane scholierenbeweging zonder duidelijk politiek profiel. Daarna verschenen groepen jongeren rond de protesten, niet allemaal scholieren, die zich schuldig maakten aan vernielingen, bedreigingen en geweld tegen onderwijspersoneel. Pas in een derde fase verschenen politici en vakbondsactivisten van radicaal-links nadrukkelijker bij de protesten.
Als die chronologie klopt, ontstaat een heel ander beeld. Dan heeft radicaal-links niet eerst een protestbeweging georganiseerd die vervolgens gewelddadig werd. Dan bestond de protestbeweging al, ontstond er vervolgens geweld en probeerden politieke organisaties daarna aansluiting bij de beweging te vinden.
Een ‘effet d’aubaine’
Dezelfde inlichtingenbron gebruikte daarvoor een interessante Franse uitdrukking: “effet d’aubaine”. Vrij vertaald: een buitenkansje. Politieke organisaties zagen een spontaan ontstane maatschappelijke beweging en zagen daarin een mogelijkheid om hun eigen politieke agenda kracht bij te zetten.
Volgens deze bron waren sociale media en het kopieergedrag tussen verschillende wijken bovendien belangrijker voor de snelle verspreiding van de protesten dan de mobilisatiekracht van LFI. Ook was volgens de bron door de inlichtingendiensten geen georganiseerde aanwezigheid van zogenoemde black blocs vastgesteld. Dat sluit politieke beïnvloeding door radicaal-links niet uit, maar het maakt de bewering dat radicaal-links achter de hele beweging zit aanzienlijk moeilijker vol te houden.
En wie pleegde dan het geweld?
Dat is precies waar voorzichtigheid noodzakelijk wordt. Er zijn talloze beelden van jongeren die vernielingen plegen, brand stichten of met de politie vechten. Maar uit het feit dat geweld plaatsvindt tijdens een protest waarbij ook radicaal-linkse activisten aanwezig zijn, volgt natuurlijk niet automatisch dat die activisten het geweld organiseren. Daarvoor zou ander bewijs nodig zijn, bijvoorbeeld aanwijzingen dat LFI of een andere organisatie relschoppers heeft gerekruteerd, instructies heeft gegeven om geweld te gebruiken, gewelddadige acties heeft voorbereid of daders heeft aangestuurd.
Voor zo’n georganiseerde aansturing van het geweld is tot nu toe geen overtuigend openbaar bewijs geleverd. Dat is belangrijk, want de beschuldiging die rondgaat is vaak veel stelliger dan: “radicaal-links probeert invloed uit te oefenen op de protesten.” Er wordt beweerd dat radicaal-links achter de rellen zit. Dat is een veel zwaardere beschuldiging en vereist dus ook veel sterker bewijs.
Zelfs LFI veroordeelt het geweld
Daar komt bij dat LFI de protestbeweging weliswaar nadrukkelijk steunt, maar tegelijkertijd publiekelijk afstand heeft genomen van het geweld. Le Monde beschreef op 3 oktober hoe Mélenchon en zijn partij enerzijds hun steun aan de protesterende scholieren voortzetten en anderzijds de gewelddadige uitwassen veroordeelden.
Dat bewijst uiteraard niet dat individuele activisten niets verkeerds hebben gedaan. Een politieke partij kan publiekelijk geweld veroordelen terwijl individuele sympathisanten zich daar toch schuldig aan maken. Maar ook hier geldt dat daarvoor individuele bewijzen nodig zijn. Je kunt niet omgekeerd redeneren: LFI steunt de protesten, tijdens de protesten vindt geweld plaats, dus LFI organiseert het geweld. Dat is associatie, geen bewijs.
Ook de regering maakt zelf onderscheid
Interessant genoeg deed de Franse minister van Onderwijs Édouard Geffray dat onderscheid aanvankelijk zelf. Hij erkende op 1 oktober dat de beweging was begonnen met echte klachten van scholieren: problemen met schoolgebouwen, toiletten, kantines, overvolle roosters en leraren die bij ziekte niet worden vervangen. Volgens hem was de beweging daarna van karakter veranderd en door gewelddadige groepen als het ware “gegijzeld”. Tegelijkertijd beschuldigde hij LFI ervan de blokkades te hebben aangewakkerd en politiek te hebben gerecupereerd.
Ook in die lezing zijn dus eigenlijk drie verschillende zaken te onderscheiden: de oorspronkelijke scholierenprotesten, de politieke bemoeienis van LFI en andere linkse groepen, en de gewelddadige groepen die zich rond de protesten manifesteerden. Wie die drie groepen zonder verder bewijs samenvoegt, maakt van een ingewikkelde werkelijkheid een veel te eenvoudig verhaal.
Wat weten we dan wél?
Op basis van wat momenteel openbaar bekend is, kunnen we een aantal conclusies trekken. Dat LFI en andere radicaal-linkse organisaties zich met de protesten bemoeien, staat eigenlijk niet ter discussie. Ze ondersteunen scholieren, politici verschijnen bij blokkades en activisten proberen de beweging verder te mobiliseren. Ook staat vast dat tijdens de protesten ernstig geweld is gepleegd. En er bestaat ten minste één inlichtingennota waarin extreemlinkse organisaties een belangrijke rol bij het ontstaan en de ontwikkeling van een deel van de protestbeweging wordt toegeschreven.
Maar daarmee houdt de zekerheid grotendeels op. De bewuste nota betreft slechts Seine-Saint-Denis. Andere inlichtingenbronnen geven een andere chronologie en spreken eerder van een spontane protestbeweging waarop politieke organisaties vervolgens probeerden mee te liften. En openbaar bewijs dat LFI opdracht heeft gegeven tot brandstichting, vernielingen of geweld tegen politie en onderwijspersoneel is er vooralsnog niet.
Een belangrijk onderscheid
Misschien kan de hele discussie uiteindelijk worden teruggebracht tot één onderscheid: Radicaal-links probeert de scholierenprotesten te beïnvloeden” is aantoonbaar. Radicaal-links zit achter het geweld bij de scholierenprotesten is vooralsnog niet aangetoond.
Dat betekent niet dat later geen nieuw bewijs kan opduiken. Onderzoeken lopen en de situatie in Frankrijk ontwikkelt zich snel. Als blijkt dat bepaalde organisaties of activisten daadwerkelijk geweld hebben voorbereid of aangestuurd, verandert de conclusie uiteraard. Maar bewijs moet voorafgaan aan een conclusie, niet andersom.
Wie nu beweert dat inmiddels door de Franse inlichtingendiensten is “bewezen” dat LFI of andere linkse organisaties de rellen organiseren, maakt van een veel genuanceerder inlichtingenbeeld een zekerheid die er eenvoudigweg niet is. En misschien is dat juist bij beelden van brandende scholen en vechtende jongeren belangrijk om in gedachten te houden:
Dat iemand probeert mee te liften op een protest, maakt hem nog niet automatisch de bestuurder ervan.
