Niet iedere boer steekt zijn hakken in het zand

Wie mijn berichten een beetje volgt, zou soms de indruk kunnen krijgen dat ik iets tegen boeren heb. Dat is niet zo. Ik heb vooral iets tegen het idee dat de landbouwsector niet zou hoeven veranderen en dat problemen rond stikstof, biodiversiteit, waterkwaliteit en klimaat vooral door anderen moeten worden opgelost. En daar zit meteen een belangrijk verschil: de boer bestaat niet.

Naast boeren die zich fel verzetten tegen veranderingen, zijn er namelijk ook heel veel boeren die allang bezig zijn hun bedrijf anders in te richten. Boeren die minder kunstmest en bestrijdingsmiddelen gebruiken, ruimte maken voor vogels en insecten, hun bodem proberen te verbeteren, minder intensief produceren of samenwerken met natuurorganisaties. En die kant van het verhaal verdient óók aandacht.

Boeren die natuur niet als vijand zien

Een bekend voorbeeld is natuurinclusieve landbouw. Daarbij blijft een boerderij gewoon voedsel produceren, maar wordt geprobeerd dat te doen met veel meer oog voor bodem, water, landschap en biodiversiteit.

Dat kan heel praktisch zijn: kruidenrijk grasland in plaats van alleen Engels raaigras, bloemrijke akkerranden, houtwallen en heggen, later maaien zodat weidevogels hun jongen kunnen grootbrengen, minder kunstmest en bestrijdingsmiddelen gebruiken of poelen aanleggen voor dieren.

Natuurmonumenten omschrijft natuurinclusief boeren als landbouw waarbij binnen de grenzen van de natuur wordt gewerkt en waarbij onder andere aandacht is voor bodemleven, biodiversiteit en het landschap. Dat is bepaald geen theoretisch ideaal meer. Staatsbosbeheer werkt inmiddels met tientallen boeren door heel Nederland samen om bedrijven natuurinclusiever te maken. In april 2026 kwamen daar in één keer elf bedrijven bij. Daarmee kwam het aantal deelnemende boeren op 74. Alleen al die elf nieuwe deelnemers beheren samen ongeveer 1.300 hectare grond. Ze werken onder meer met compost, onderhouden houtwallen en poelen, leggen botanische randen aan en proberen hun bedrijfsvoering extensiever en regeneratiever te maken.

Het gebeurt gewoon in Nederland

De lijst met voorbeelden is inmiddels lang.

In Zuid-Holland werkt bijvoorbeeld Hoeve Stein in de Reeuwijkse polder biologisch met melk- en vleesvee. Hoeve Biesland combineert biologisch-dynamische landbouw met de productie van melk, vlees, brood en groenten. Morgendauw Verhoef is een biologisch melkveebedrijf in de Alblasserwaard, vlak bij natuurgebied Donkse Laagten.

In Utrecht biedt melkveehouder Arie van Oosterom bewust ruimte aan weidevogels. In Noord-Holland lopen bij biologische melkveehouderij De Appelhoek ongeveer zestig koeien een groot deel van het jaar buiten en zijn fruitbomen aangeplant. In Limburg worden Aberdeen Angus-runderen extensief gehouden in natuurgebieden.

Het zijn maar enkele voorbeelden uit een veel langere lijst van boeren die met Staatsbosbeheer samenwerken.

En er wordt volop geëxperimenteerd. In een ander project zijn twintig boeren in 2025 begonnen met de omslag naar natuurinclusieve en regeneratieve landbouw. Akkerbouwers Marc en Margot plantten bijvoorbeeld vier kilometer heg aan. Een boer op Texel experimenteert met kikkererwten en lupine en bij een schapenhouder maakt Engels raaigras plaats voor kruidenrijk grasland. De Vlinderstichting meldde in september 2026 dat bij de eerste monitoring op deze bedrijven al bijzondere soorten bestuivende insecten werden aangetroffen.

En ja, het kost iets

Daarbij moeten we ook eerlijk zijn: van een boer verlangen dat hij duurzamer produceert en tegelijkertijd verwachten dat hij voor dezelfde lage prijs voedsel blijft leveren, is niet erg realistisch. Een boer die minder koeien per hectare houdt, minder kunstmest gebruikt, stukken land reserveert voor natuur of later maait vanwege broedende vogels, kan inkomsten mislopen of extra kosten maken.

Bij het programma van Staatsbosbeheer daalt bij deelnemende melkveehouders bijvoorbeeld de melkproductie per koe ten opzichte van het Nederlandse gemiddelde. Daar staan wel lagere kosten voor krachtvoer en kunstmest tegenover. Staatsbosbeheer biedt bovendien langjarige pacht van natuurgrond, zodat boeren meer zekerheid krijgen om hun bedrijf daadwerkelijk anders in te richten. Dat is misschien wel een essentieel onderdeel van de discussie. We kunnen niet alleen naar boeren wijzen. Supermarkten, voedselproducenten, banken, overheid én wij als consumenten hebben invloed op het systeem waarin boeren moeten zien te overleven. Een groene boer die uiteindelijk failliet gaat omdat niemand een paar cent meer voor zijn product wil betalen, hebben we tenslotte ook weinig aan.

Kritiek op landbouw is niet hetzelfde als kritiek op iedere boer

Daarom vind ik het belangrijk om dat onderscheid te blijven maken. Ik zal kritisch blijven op boerenorganisaties of individuele boeren die wetenschappelijke problemen ontkennen, noodzakelijke veranderingen categorisch afwijzen of doen alsof Nederland de intensieve landbouw van de afgelopen decennia zonder gevolgen eindeloos kan voortzetten. Maar dat betekent niet dat iedere boer zo denkt. Integendeel.

Er zijn boeren die experimenteren, investeren en soms zelfs bewust genoegen nemen met een lagere productie om bodem, landschap en biodiversiteit te verbeteren. Er zijn boeren die samenwerken met natuurorganisaties in plaats van ze als tegenstander te beschouwen. En er zijn boeren die zelf ook vinden dat het huidige landbouwsysteem moet veranderen. Dat mag best wat vaker worden gezegd. Want uiteindelijk hebben natuurorganisaties, milieubewegingen en boeren voor een belangrijk deel hetzelfde belang: een gezond landschap waarin ook over twintig, vijftig en honderd jaar nog voedsel kan worden geproduceerd.

Misschien moeten we daarom iets minder vaak spreken over de boeren. Net zoals bij vrijwel iedere andere bevolkingsgroep bestaat die namelijk helemaal niet.

Schuiven naar boven