Vroeger, toen Nederlanders nog fascisten herkenden

Op 27 januari 1989 kwam een einde aan een van de langst slepende naoorlogse discussies in Nederland. Die middag verlieten de 87-jarige Franz Fischer en de 79-jarige Ferdinand aus der Fünten per ambulance de Koepelgevangenis in Breda. Na ruim 44 jaar gevangenschap kregen zij gratie en werden zij naar Duitsland overgebracht. Hun vrijlating leidde tot grote maatschappelijke beroering. Niet omdat zij onschuldig waren bevonden, maar juist omdat vrijwel niemand eraan twijfelde wat zij tijdens de Tweede Wereldoorlog hadden gedaan.

De laatste oorlogsmisdadigers

Na de bevrijding werden in Nederland 241 Duitse oorlogsmisdadigers berecht voor oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid. Achttien van hen kregen de doodstraf, waarvan er uiteindelijk vijf werden voltrokken. De meeste anderen kregen gevangenisstraffen die na verloop van tijd afliepen of werden omgezet in vrijlating. Slechts vier mannen bleven uiteindelijk levenslang vastzitten. Zij werden bekend als de ‘Vier van Breda’: Willi Lages, Ferdinand Hugo aus der Fünten, Franz Fischer en Joseph Kotalla.

Drie van hen speelden een directe rol bij de Jodenvervolging in Nederland. Aus der Fünten organiseerde vanuit Amsterdam de deportaties van Joden naar Westerbork. Fischer vervulde dezelfde functie vanuit Den Haag en Lages stond als hoogste verantwoordelijke boven hen. Kotalla was geen organisator van deportaties, maar verwierf zijn beruchte reputatie door zijn uitzonderlijke wreedheid als bewaker in Kamp Amersfoort.

Geen anonieme daders

Waarom juist deze vier nooit werden vrijgelaten terwijl veel andere oorlogsmisdadigers dat wel werden, is nooit volledig beantwoord. Mogelijk waren zij simpelweg de laatsten die overbleven. Waarschijnlijk speelde echter nog iets anders mee: zij waren voor veel slachtoffers geen anonieme namen op papier, maar mensen die zij persoonlijk hadden gezien of meegemaakt.

Juist daardoor bleven zij voor duizenden Nederlanders het gezicht van de Duitse bezetting. Wanneer opnieuw over gratie werd gesproken, meldden slachtoffers en nabestaanden zich steevast om duidelijk te maken dat deze mannen volgens hen hun vrijheid hadden verspeeld. Het ging daarbij niet alleen om juridische schuld, maar ook om de enorme symbolische betekenis die zij inmiddels hadden gekregen.

Iedere poging tot vrijlating leidde tot protest

Vanaf de jaren vijftig keerde de discussie over gratie telkens terug. Toen de doodstraf werd omgezet in levenslang ontstond al veel verzet, maar vooral vanaf de jaren zestig laaide de discussie steeds opnieuw op. In 1966 werd Willi Lages vrijgelaten omdat hij terminaal ziek zou zijn. Toen bleek dat hij vervolgens nog vier jaar leefde, groeide het wantrouwen tegen iedere volgende gratiepoging alleen maar verder.

Het hoogtepunt volgde in 1972. Minister van Justitie Dries van Agt vond dat verdere gevangenschap geen redelijk strafdoel meer diende en wilde de overgebleven oorlogsmisdadigers vrijlaten. De maatschappelijke reactie was ongekend. Tijdens een parlementaire hoorzitting vertelden overlevenden en nabestaanden hun persoonlijke verhalen. Niet de rechters, maar de slachtoffers zelf herinnerden Nederland eraan wie deze mannen waren en waarvoor zij verantwoordelijk waren geweest. De indruk die deze getuigenissen maakten was zo groot dat jarenlang geen enkele minister zich nog aan de kwestie durfde te wagen.

Een samenleving die de oorlog nog kende

De heftigheid van het debat is vanuit het huidige tijdsbeeld misschien moeilijk voor te stellen. Nederland bestond toen grotendeels uit mensen die de oorlog zelf hadden meegemaakt of direct familieleden hadden verloren. Vrijwel iedereen kende verhalen over razzia’s, onderduik, verzet, deportaties of de hongerwinter.

Vanaf de jaren zestig groeide bovendien het besef dat Nederland er tijdens de bezetting niet in was geslaagd zijn Joodse bevolking voldoende te beschermen. Die maatschappelijke zelfreflectie leidde niet tot meer mildheid tegenover de daders. Integendeel: juist doordat men zich sterker bewust werd van de omvang van de Holocaust, groeide de overtuiging dat deze oorlogsmisdadigers nooit meer vrij zouden mogen rondlopen.

De vrijlating in 1989

Toch besloot minister van Justitie Frits Korthals Altes in 1989 de laatste twee gevangenen gratie te verlenen. Hij deed dat met grote tegenzin en benadrukte dat de voortdurende discussie inmiddels meer pijn veroorzaakte dan de gevangenschap zelf. In het parlement sprak hij de veelzeggende woorden: “Laten wij onze samenleving ontdoen van het armzalige restje leven dat de twee Duitsers nog restte.”

Na hun vrijlating keerden beide mannen terug naar Duitsland, waar zij nog maar kort leefden. Ferdinand aus der Fünten overleed enkele maanden later, in april 1989. Franz Fischer stierf in september van datzelfde jaar. Van een nieuw leven was nauwelijks sprake; beiden waren lichamelijk en geestelijk volledig gebroken.

Vroeger, toen Nederlanders nog fascisten herkenden

Wie vandaag de dag de debatten uit die tijd terugleest, ziet iets opvallends. Er werd fel gediscussieerd over de vraag of levenslange gevangenschap nog zin had. Er werd gesproken over vergelding, menselijkheid, ouderdom en gratie. Maar over één fundamenteel punt bestond nauwelijks discussie: deze mannen waren fascisten die actief hadden meegewerkt aan een regime dat verantwoordelijk was voor vervolging, deportatie en massamoord.

Niemand vond dat woord overdreven. Niemand sprak over “een andere politieke mening”. Fascisme was geen scheldwoord voor iemand met wie je het oneens was, maar een concrete ideologie die Nederland nog vers in het geheugen had. De slachtoffers leefden nog, de littekens waren zichtbaar en de daders hadden namen en gezichten.

Misschien is dat wel het grootste verschil met nu. Tegenwoordig wordt het woord ‘fascisme’ regelmatig gebruikt als politiek verwijt, terwijl anderen het juist zo veel mogelijk proberen te vermijden of relativeren. Daardoor ontstaat soms de indruk dat het begrip vooral een kwestie van mening is geworden. De geschiedenis van de Vier van Breda laat zien dat dit ooit heel anders lag. Destijds wist vrijwel iedereen nog precies wat fascisme betekende, hoe het eruitzag en waartoe het in staat was gebleken.

Dat betekent niet dat iedere hedendaagse politieke tegenstander een fascist is. Het betekent evenmin dat iedere vergelijking met de jaren dertig terecht is. Maar het herinnert er wel aan dat fascisme ooit een duidelijk herkenbare werkelijkheid was, waarvan de gevolgen nog decennialang zichtbaar waren in de Nederlandse samenleving. Juist daarom riepen de namen van Aus der Fünten, Fischer, Lages en Kotalla destijds geen partijpolitieke discussie op, maar herinneringen aan de donkerste periode uit de Nederlandse geschiedenis.

Schuiven naar boven